Rooskleurig

CV

 

gediplomeerd verstrekker van ochtendkoek
en tafelmuziek ben ik beëdigd kooklustig
meesterchef braakonderzoek en zonder broek
in de avond echter pijprokend levensmoe

maakt mij dat tot schaap ik sta voor aap
kauwend op scrupules en mishandeling
ik vrees de deemster niet maar de zuigende branding
van een vreeswekkend god de onderrok

zo stal ik naar believen mijn waren uit
tot ik in de gesteven moederkoek
mijn gok vol fijnstof snuit

ja lacht u maar ik zing van ik en wij
in de vermiste tuin vol vogel en kruid
waar ik almaar naar jouw handdoek zoek

 

 

 

 

ill. Beeldentuin Clingenbosch

 

 

 

 

 

Advertenties

Hawinkels: De tuin der lusten (fragment)

        Van zéér hoge adel, licht & delicaat
Als de verheven wijze waarop het witte,
Bedwelmend ruikende kroonblad van jasmijn
Geliëerd is aan het groene, ingetogen
Kelkblad – een hommel is genoeg, om met
Een onbehouwen douw van zijn botte kont
Deze verbintenis teniet te doen, een der partijen
Radeloos, maar tot het uiterste o
Zo integer, omlaag te doen dwarrelen –
Deze druk dus, waarmee de schone vrouw
Met de stevige vingers knielt op het gras.
Het modeste gras raakt nauwelijks nog merkbaar
Onder de indruk, het was op alles bedacht,
Het heeft zich idealistisch terug-
Getrokken, is als water in de bodem
Gedrongen, tot het niet meer was,
Is dan een kleur voor de grond,
Een hoopvolle, rustig afwachtende tint,
Die de overslanke knieën zo min
Als maar kan te na komt. Toch, het bloost nog,
Het gras, het groen, waar zij zit,
Verdiept zich, – zij zit, de hand reikend
In overgave, maar wijs & vriendelijk
Bij de pols genomen door de persoon-
Lijkheid, die – millennia voor zijn tijd
Lijkt hij geboren – nota bene gekleed is
In een pontificaal gedrapeerd gewaad,
Dat in kleur het bevende midden – bevend
Als de top van een fontein of anders het punt
Waar zich een kolibri bevindt die stilstaat
In de lucht, wanneer hij stilstaat,
Het midden als een pupil, – houdt
Tussen het opgewonden, strakgespannen
Rood van een eikel of kreeft, en ander-
Zijds het zijige blank van haar lichaam.
        Mooi glad is dat! Die huid van haar
Verhoudt zich tot die van andere, hier af-
Wezige vrouwen als het vel van een gezonde tomaat
Tot dat van geplukte kippen, – is vreemd,
Als een roomblanke tomaat, een albino;
Die is wereldvreemd als een effen giraffe,
Vreemder dan een lichtzilvergrijs exemplaar.
        En zo glad, zo vloeiend gestroomlijnd
Haar lijnen en vormen, al zijn
Dan haar vingers misschien wat aan de
Stevige kant, een tikkeltje te lang, –
Ach, zoals de sneeuwval de grove,
Ongemanierde lineatuur buiten stileert,
Is er iets over haar vormen gegleden,
Heeft een werking haar huid geëffend,
De weg voor een straling die – van binnen uit
Te komen schijnt, daarvoor
Geen poriën van node heeft.
        Haar borsten zijn klein, als de bloemen
Die men sneeuwbal noemt, haar tepels
Staan zo ver als maar enigszins kan
Van elkaar, of tepels, – meer dan schuchtere
Concessies aan de hebberige eis dat
Zij er zijn, zijn zij evenmin als
De vingerafdruk van haar navel
Of de minieme floers in haar schoot.
Iemand die midden op de dag maneschijn
Op zich weet te richten, zou niet meer
Moeite moeten doen om niet verwaand
Te worden, zo bescheiden te kijken als zij,
Die haar blik kuis richt op haar eigen
Lichaam, – en van haar, met die ogen
Zo ver van elkaar, de meticuleuze glimlach
Waaruit haar lippen bestaan, die zo goed is,
Dat zij ’t zonder mysterieuze allures
Kan stellen, zou men geloven
Dat zij bescheiden is van zichzelf,
Van huis uit. Alleen – haar haren
Kabbelen kittig van hoog op haar smetteloos
Voorhoofd omlaag via haar aan ’t oog
Onthouden rug, dat gouden haar, dat rijpe tarwe
En de ademtocht der zomerse dagen,
Die die doet bewegen, tegelijk is.
Haar handen zijn wel wat groot,
Haar vingers wat stevig & lang.
Maar ze zijn leeg en vrijwel onbeschreven, –
De handreiking aan de kostbaar geklede
Meneer met de hoge manier laat dat zien,
Zowel wat de palm, als wat de rug
Betreft. De zijne zijn anders, verweerder,
Veelbetekenender, wel vreemd, maar niet
Aan deze wereld. Hoe moet overigens
Zijn lijf wel zijn? Men weet ’t niet,
Dat zou teveel kunnen zijn. Men moet
Niet teveel weten.
        Zijn gezicht is ook anders; zijn ogen
Zijn als het ware bevriend met de nacht,
Hij kijkt zo verstandig, verder dan
Het gras groeit, verder dan er dieren,
Lucht of planeten bestaan.
Maar zijn gezicht is weinig etherisch;
Hij is een man, zoals er eigenlijk
Geen één gevonden wordt tussen avond & morgen,
In heel de dag. Hij is sterk,
Heeft weerstand als klei, hij weet
Wat hij wil, en wat men willen kan, –
Vandaar dat hij waarschuwt, de weg
Naar de uiterste vrede aangeeft.
        Wat een paar! Zo, terwijl de energieke
Krachtige man de uiterst verfijnde
Vrouw in een aureool van haren
Zachtmoedig maar beslist bij de pols houdt,
Zou het de sterren kunnen zien verwelken,
De hemel kunnen zien rimpelen en schil-
Feren als een verouderd voorhoofd,
Het licht zich zien wijzigen in vuur
Of brakende vlammen, of in het niets.
        Maar – zij zijn niet alleen.
        Alles eerder dan dat. Sprakeloos
Van bewondering, van verbazing, van
Nagenoeg mystieke vervoering zit de tweede
Man, het manspersoon, naakt tot op
Zijn nuchterste contouren, ernaast,
En doet zijn oog en zijn wenkbrauw
Tegoed aan het mild verblindende paar.
Zo’n eenheid…
        Hij vlijt, als een vlinder,
Die een jasmijnbloem kust, maar minder
Vrijmoedig, zijn hand op zijn boven-
Been, slaat niet, zoals het hem
Te moede moet zijn, van louter verbazing
Er hard mee, leunt op zijn andere
Arm, en zijn diepste verlangen
Is niet gesitueerd in zijn kruis,
Op die bloemige plek is ’t rustig,
Maar het gaat uit naar de tweeëenheid,
Die hij waarneemt, en in begrijpelijk streven
Er een drieëenheid van te maken,
Geeft het manspersoon, zo’n mens toch,
De dichtstbijzijnde van het primordiale
Paar stiekem een voetje, raakt hij
De zoom en de teen van de heer, die
Op handen en voeten en zijn gestrenge gelaat
Na in zijn ornamentale, monumentale
Plooien schuilgaat.
        Is hij nu deel van het mysterie?
Vormt dat een trio? De tijd zal het leren,
En in de tijd kan zo onmenselijk veel
Gebeuren, evenals in de ruimte. 

~ Pé Hawinkels, De tuin der lusten (fragment linkerpaneel) ~

 

 

The Works of Fertility

THE JACKALS’ ADDRESS TO ISIS


G
rant Anup’s children this:

To howl with you, Queen Isis,
Over the scattered limbs of wronged Osiris.

What harder fate than to be woman?
She makes and she unmakes her man.

In Jackal-land it is no secret
Who tempted red-haired, ass-eared Set
To such bloody extreme; who most
Must therefore mourn and fret
To pacify the unquiet ghost.

And when Horus your son
Avenges this divulsion
Sceptre in fist, sandals on feet,
We shall return across the sand
From loyal Jackal-land
To gorge five nights and days on ass’s meat.

 

~ Robert Graves ~

 

we kijken er baards tegenaan

Worum sich die Angst ängstet, ist das In-der-Welt-sein selbst – Heidegger.

ik ben de grote hypochonder:
ik groei mijn liefste angsten aan

mijn verbeelding is een schimmelende voorraadkast
het woekert poliepen uit mijn dij, die doornig standhouden
iedere glimlach is een belofte van electrocutie

want ik ken jullie wel: jullie komen mijn tongriem doorsnijden
en een lamme tong verdicht de leut niet deutend, weet een kind

maar wat is mij aan de angst gelegen als het waarheidt in de schemering,
aan de erecties die ons zullen aflossen, die de wereld zullen ontsieren tot Oz
aan de rilgeesten die langeweilen bij het aanbreken van de grote middag

soms is angst de toonsoort van thuiskomst
gejank van de wilde honden als ze een nederzetting ruiken

blijf de magie van je verbeelding trouw, vouw

je angsten als gemalen muskaat in de plooien van de kranten
als je schrikschippert door de bezette stad
boogneukt in een dependance

loeihard straffen de omgewanden onze bluf, hun komst
zet regeleindes weg, onze stokvistongen
zuigt het vacuüm, de angstende angst wordt altijd afgezonken volgens het protocol

schraaltalige neuzelaars ontgaat dat maar wie wil hier nog
de dompteur zijn van zijn eigen spleen we kijken er baards tegenaan
lustgameten roedelen jachtig over de naakte toendra van de angst
er groeit mij nog eens een toverstaf aan die alle referenties verhekst
inkerkert in het ijs dat eeuwig is

(uit mijn voorgelaten gedichtenverzameling ‘Tongriem 2‘, parels tussen de stront)

Lentemorgen

Lentemorgen

– voor Maaike Molhuysen –

 

                   Magda almaar dwalend door de tuin
                   ziet de maan vol door de bomenkruin
                   De zon komt alweer op, het ochtenrood
                   kleurt alles nieuw en fris en bloot

                   Er sterft een stem en richt zich op
                   geschuifel tussen roos en rozenknop
                   Het stokt haar in de keel, het is te veel
                   de tuinman dwaalt als zij door het struweel

                   Ach, vriend, hebt gij hem soms gezien
                   wijs mij de weg naar mijn verdriet
                   ik weet niet waaraan ik dit verdien
                   houd mij vast voor ik van pijn verschiet
                       Ween niet, vrouw, ik ken u van voordien
                       ik heb u lief, zoiets verliest men niet.

 

 

Warner’s thuiskomst

 

Warner’s thuiskomst

 

 

Aan het einde van de straat stond, boven de huizenrij, de hemel te blozen alsof hij zich schaamde over het vroege uur waarop hij in dit seizoen begon te verkleuren. Vlak boven de gevels zag Warner in enkele seconden het helle blauw in zachtgroen veranderen. Daarboven ontstond langzaam maar zeker een hele waaier van tinten, oranje, violet tot diep purper – hij kon zijn ogen bijna niet geloven. Hij vertraagde zijn pas, om er zo lang mogelijk van te kunnen genieten.
            Het lukte: de straat strekte zich eindeloos uit in het groeiende donker, en in dit tempo zou het pas werkelijk donker zijn tegen de tijd dat hij zijn huisdeur bereikt had. Zo kon hij met volle teugen genieten van de genadeloze schemer, die vandaag besloten had zijn totale scala aan mogelijkheden in kleur om te zetten. Warner snoof diep de herfstlucht op, want ook van de geur koesterde hij grote verwachtingen. Dat laatste viel echter wat tegen. Hij vulde zijn longen met de penetrante lucht van de conservenfabriek, die zich vermengde met de uitlaatgassen van een ronkende autobus, die stationair draaiend op haar passagiers stond te wachten, ietwat scheef en half op de stoep geparkeerd.
            De verwachte geur, die van rottend loof en ijverige paddestoelen, waardoor hij elk jaar weer verrast werd, liet zich hier niet proeven. Dus stopte hij zijn verlangen daarnaar ergens diep weg, in de buurt van zijn nogal hopeloze verwachting op een dag vrijelijk de daarop gelijkende geur van het hem toegewijde meisje op te snuiven. Daar had hij een plek voor, even onvindbaar als gekoesterd. Maar vanavond waren het zijn ogen die hij de kost gaf. Ruiken kon altijd nog. En, wanneer hij zo goed mogelijk hetgeen er hier te ruiken viel wist te verdringen, zou de betoverende hemel hem alsnog de bedoelde geur in herinnering brengen.
            Ook daarin slaagde hij redelijk. Nog even, en de huizen smolten als was voor zijn fantasie, en liep hij recht het zich tot aan de einders uitstrekkende heidelandschap in dat hij zich droomde. Daar zou hij de vrouw tegenkomen die daar thuishoorde, haar geur en gedaante in overeenstemming met de schemerlucht die deze fantasie opriep. Hij zou op haar toelopen en zonder een woord te zeggen, haar omhelzen, hetgeen zij begrijpend en evenzeer verlangend zou beantwoorden in de langgerekte kus die hij tot in zijn stuitje voelde…
            Hoe lang was het nog naar zijn huis? Hoe vaak hij de afstand al had afgelegd, hij had de indruk dat de tijd die hij erover deed van het centrum naar zijn voordeur van keer tot keer aanzienlijk verschilde, een verschil dat vooral bepaald werd door de tijd die hij nodig had de ellenlange straat waar hij woonde uit te lopen tot aan zijn voordeur. Die bevond zich bijna aan het einde, voorbij de garage van de gebroeders De Vries. De een na laatste deur was van hem. Daarachter woonde hij, zo bleek telkens weer, wanneer hij in zichzelf goedkeurend mompelend de voorwerpen meende te herkennen die hij her en der in de ruimte geplaatst had, ieder voorwerp keurig voorzien van een met de hand geschreven labeltje.
            De kleurenwaaier was nu zo goed als verdwenen en had langzaam maar zeker plaatsgemaakt voor het diepe ondoorgrondelijke blauw dat vanuit het oosten de hemel veroverde, tegen de tijd dat hij de garage naderde. De straat was uitgestorven en op dit moment waren het alleen nog de afgemeten klanken van zijn voetstap die tot zijn oren doordrongen.

Op de stoep voor zijn deur zat iets, een meisje. Ze sloeg haar blonde krullen met één hand voor haar ogen weg en zei  ‘O, pardon,’ terwijl ze iets opzij schoof om hem de gelegenheid te geven zijn voordeur te openen. Hij wist niets beters dan een dof en veel te zacht  ‘Hallo’ en stak de ouderwets grote sleutel in het slot. Op het moment dat hij de deur opende om naar binnen te stappen, stond het jonge ding ineens overeind en was hem voor. Voordat hij er erg in had, was ze de gang binnengelopen, had twee blikjes bier uit de koelkast gehaald en zich op het ding met het label ‘Zitbank. Leer. 1989.’ genesteld, haar schoenen uitgeschopt en haar bekouste voeten over de leuning geworpen. Haar spijkerbroek knelde kennelijk een beetje, want ze liet het glimmende knoopje openspringen en schoof haar rits omlaag. Een keurig wit slipje, wist hij.
            Verbaasd nam hij tegenover haar plaats op een van de andere dingen en opende de twee blikjes, die met een plofje wat van hun inhoud over het ding dat de ‘Salontafel. Staal en glas. 1988.’ moest zijn verspilden. Hij stond weer op, want hij moest iets doen. Maar wat? Zijn ogen vragend op haar fijnbesneden gezichtje rustend, stond hij van het ene been op het andere te wippen. Ineens kreeg hij een ingeving en liep naar het bruine ding dat daar altijd weer hing en opende een van de rammelende, eh, hij opende het geval. Allerlei glimmende, doorzichtige voorwerpen grijnsden hem aan. Hij pakte er een en liep terug naar waar hij vandaan kwam. Onderweg bedacht hij zich, liep weer terug, en nam er nog een. Met de twee dingen in zijn hand wandelde hij naar het meisje dat hem lief bezorgd aankeek, knielde naast haar neer en zette de twee dingen op de ‘Salontafel. Staal en glas. 1988.
            Nu voelde hij twee armen die om heen geslagen werden, en er kriebelde iets in zijn nek. Dat moesten die blonde krullen van haar zijn, dacht hij, in een poging de glimmende dingen met het schuim uit de blikjes te vullen. Hij voelde hoe ze hem ergens vanachter kuste, en hoorde haar iets fluisteren. Maar dat verstond hij niet, want hij kon haar niet zien. Hij draaide zijn hoofd een kwartslag en ontmoette haar prachtige ogen, nu van heel dichtbij. De sierlijk lange wimpers, als een lange rij omhooggebogen vraagtekens, bewogen soms even heel snel op en neer. Hij merkte hoe ze hem kuste. Een verrukkelijk stevige en vochtige druk tegen zijn lippen. Maar hij raakte onderweg een beetje in de war, omdat hij iets op zijn hoofd voelde. Ze liet haar handen door zijn haar gaan. Ze kusten opnieuw, en nu voelde hij haar kleine, stevige tong langs zijn tanden gaan, zijn verhemelte zoeken. Hij sloot zijn ogen en zag weer de kleuren in de lucht boven de straat. Er klopte iets niet aan de volgorde, maar wat precies, dat wist hij niet.
            Opeens voelde hij iets in zijn hand, kleine krulhaartjes en iets vreselijk zachts, een beetje vochtig. Waar was hij? Wie was dit meisje?
            Van het ene moment op het andere zat hij met de glimmende dingen in zijn hand, waarin een gele, bruisende vloeistof heen en weer klotste. Hij gaf haar er een, nam daarna zelf een heerlijk lange slok uit de andere. Het was al bijna op.
            Toen hij opkeek, stond ze naast hem en liet haar broek van haar benen glijden, tegelijk met het witte onderbroekje. Ze had prachtige, niet al te slanke benen die, bovenaan, in het midden, elkaar weigerden te ontmoeten, omdat zich daar een klein, donkerblond bosje bevond, met een minuscuul klein donker riviertje. Het waren eigenlijk twee precies gelijke omgekeerde heuveltjes, zoals hij ze kende van de heide waar hij vaak urenlange wandelingen maakte onder de wolkeloze hemel. Hij keek vol bewondering naar dit vreemde meisje – hij wist niet eens hoe ze heette – dat licht wiegend nu ook haar losjes gebreide schapenwollen trui over haar hoofd begon te werken. Zo stond ze voor hem, naakt op haar zwarte behaatje na, en zei ‘Kóm’ met een vragend toontje. Snel nam hij de laatste slok van het gele spul, stond overeind en streek haar door haar haren. Zijn vingers daalden voordat hij het wist langs haar rug omlaag en frunnikten aan de sluiting van het ding. Halverwege tussen hun lichamen, hij geheel gekleed, zijn grote schipperstrui kriebelend tegen haar naakte borsten, zij spiernaakt, met lieve, vochtige ogen, kleine opspringende tepeltjes, van hetzelfde spul gemaakt als haar zich van elkaar losmakende lippen, waarachter weer het prachtige kleine tongetje verscheen, even de bovenlip likte en plotseling naar voren schoot, daar halverwege, ingeklemd tussen de tegen elkaar aangedrukte buiken, bleef het kledingstuk hangen, en viel pas op de grond toen hij haar optilde en weer op het ding legde. Ditmaal nam hij niet de moeite het labeltje te lezen. Dat kon ook niet, want zij sjorde aan zijn broekriem, probeerde zijn gulp te openen, en trok hem naar zich toe, omlaag.

Hij lag met zijn hoofd tegen haar borsten, of eigenlijk, in het zachte dal ertussen, en naar welke kant hij zich wendde, keek hij op naar de ontroerende glooiingen, elk bekroond met zo’n prachtig rood monumentje waarvan hij een rare smaak in zijn mond kreeg. Het vreemde meisje had hem helemaal uitgekleed en hij voelde hoe haar handen hem daar ergens onderaan in zijn vlees knepen, dat klopte en bonsde, een heerlijk trots gevoel: zij wilde hem, zij maakte dat hij zich sterk voelde, dat het speeksel zich in zijn mond verzamelde, dat zijn bloed op een rare manier door zijn aderen stroomde, alsof het de weg kwijt was, alsof de lange rechte straat plotseling veranderd was in een licht buigende laan waarachter het heidelandschap zich voor altijd uitstrekte…
            Het duizelde hem, en hij kon niet ophouden haar te zoenen en te likken. Hij wist het zeker nu, ze was voor hem, ze was voor hem gekomen. Haar beeltenis werd eindeloos weerspiegeld in het stille landschap in zijn hoofd.
            Zijn tong vloog langs haar hals naar haar oren, en trok een spoor omlaag naar haar stevige borsten waar hij kringetjes rond haar tepels tekende en even zachtjes beet in de weerbarstig overeind staande torentjes. Het vlees was daar zo anders – een plotselinge onderbreking van de het skelet omspannende huid, die overal mooi rond en strak over haar lijf gedrapeerd was. Hier heerste ineens de vreemde veerkracht die hem ontroerde tot diep in zijn buik. Maar hij trok verder met zijn tong, tastte haar ribben af, wandelde door het dal tussen haar borsten naar haar sleutelbeenderen, die hij kuste en waarin hij ook weer kleine beetjes gaf.
            Hij voelde haar adem sneller gaan, hoorde hoe ze kleine kreetjes uitstootte, en voelde opnieuw hoe ze in hem kneep, zijn trots deed oplaaien. Hij was alweer onderweg naar haar navel, en wist hoe voorzichtig hij daar moest zijn, zachtjes de vreemde, bittere smaak van die rare plek midden op haar buik oplikken, voordat hij zich nog dieper zakken liet. Haar handen waren weg, maar nu bevonden ze zich op zijn hoofd, dat al likkend afdaalde naar het bosje waarvan de geur hem tegemoetkwam, de geur waarvan hij zeker was, de geur die hij verwacht had in de lucht, die hem vertrouwd was, meer dan al de dingen die hem om een of andere reden omgaven. Hij verdween erin, liet zijn tong proevend door de gekke haartjes gaan, terwijl een doordringende, bittere smaak hem bedwelmde. Ergens ver weg, boven of achter hem, hoorde hij haar zuchten, woordjes fluisteren, terwijl haar handen onophoudelijk door zijn haren graaiden, zijn hoofd nog dieper duwden.
            Al kussend en likkend opende hij het riviertje, dat eerder een pasgeboren moerasje was, zo’n ven met grote, stilstaande libellen erboven zwevend, en kleine rode insecten die daar allerlei onbegrijpelijke dingen aan het uitspoken waren, waarvan je nooit wist wat ze van plan waren, een plotseling breuk in het door de zon drooggetrilde landschap waar de planeet heel plaatselijk een paar doorgaans goed verborgen geheimen van onder haar oppervlakte aan het daglicht prijsgaf.
            Maar voor Warner was er geen geheim. Hij kende de geur, de smaak van de zich openkrullende sleuf. Wat hij proefde was hem zo vertrouwd, en ook al kende hij de naam niet, kende hij de naam niet van het meisje, begreep hij niet wat ze hier deed – hij begreep wat ze hier zocht, en de smaak van het moerasje kende hij zijn leven lang.

Eerst liet hij zijn tong, daarna de vingers van zijn linkerhand, zo diep mogelijk in haar verdwijnen, en kuste de trillende kleine strandbal daar achtergelaten door een horde spelende kinderen, tot zij, steeds heviger bewegend, boven, onder, achter hem met lange halen schreeuwde, haar hoofd naar achteren wierp, haar borsten van links naar rechts schuddend, hem naar boven trok, totdat hij boven haar lag, over haar trillende lichaam uitgestrekt, oog in oog met haar huilende gezicht, kleine tranen in haar ooghoeken, dingen tegen hem zeggend die hij niet verstond of niet begreep.
            Ineens ontsnapte hem een heftige kreet. Plotseling werd zijn trots omgeven door de stevige, veerkrachtige greep van haar lichaam. Ze slokte hem naar binnen met het strakke spel van haar gespierde lippen, en hij kon niet anders dan bewegen, zijn bloedende, blozende trots diep in haar weggestoken, dan weer terugkeren, niet kunnen ontsnappen, opnieuw tegen de wanden van haar binnenste stotend – een vreemde, houterige dans die hij voor zover hij zich herinnerde altijd al gekend had, die hem lief was als de heide, als de kleuren van de lucht, als de geur van zweet en geil die zijn neusvleugels deed openvliegen, hem deed ademen alsof hij uren gezwommen had tegen de dwingende golfslag van de branding in de nacht.
            Hij was veranderd in een rare machine, een wezen van spieren en levensgrote raderen, zijn ogen in verrukking over haar hijgende, geopende mond, haar zich tegen hem op torenende borsten, de lieve, smalle schouders, de eindeloze golven krullend haar. Hij was een pomp, een boortoren, een stilstaande, helblauwe libel boven het moeras, en de samentrekkende bewegingen van haar voor hem niets verborgen houdende geheim overrompelden hem, deden zijn dans stollen in een onherhaalbaar verblindend moment, dat eeuwen duurde, waarin hij merkte hoe hij zich vol trots leegstortte, diep in haar, dat hem verdoofde, zijn bewustzijn zachtjes weglegde in een kast zonder labels, waar hij door alles en iedereen voorgoed vergeten werd en insliep in het langgerekte ogenblik waarin hij al zijn dromen leegspoot op het zand.

*

De heide strekte zich aan alle kanten rond hem uit. In een regelmatig ritme bewoog de aarde onder hem op en neer, kleine wolkjes stoom afblazend uit de poriën die zich overal tussen de struiken verborgen hielden. Bijen vlogen af en aan. Hij zat aan zijn ‘Bureau. Eiken. (Hout.) 1987.’ en beschreef een klein, okerkleurig stukje karton. Hij liep door de straat, die tot aan het eind met sneeuw bedekt was. Het geluid van de tram, die een eindje verder zich door de kou heen worstelde met van condens druipende ramen, klonk raar dof, gedempt, alsof hij door een kartonnen decor reed, vol kartonnen mensen op weg naar werk dat slechts bestond in het hoofd van de kartonnen regisseur. Hij schuifelde door het vreemde witte spul waar hij zo van hield, dat hem troostte in de kou. Opnieuw dwarrelden de droge vlokken uit het niets over het witte wegdek.
            Hoe lang hij hier al liep, wist hij niet; de straat was langer dan ooit. Net op het moment dat hij begon te twijfelen, zich begon af te vragen waar hij was en waar hij woonde – zou hij zich vergist hebben in de richting? dat was hem al eens overkomen, wist hij, al wist hij niet meer wanneer precies… – doemde het bord waarop de gebroeders De Vries hun vakmanschap aanprezen op uit het niets, nog maar nauwelijks leesbaar door de aanslag van ijzel en sneeuw. Voor zijn deur zat een meisje dat hij vaag ergens van kende te verkleumen in de kou, zeker verdwaald.
            Ineens was het aardedonker, maar om onbegrijpelijke redenen ontzettend warm. Het moest middernacht zijn, er was niemand op straat, en hier en daar knipperde een halfgare straatlantaarn. Met zijn jas over zijn schouders was hij, hartje zomer, naar huis teruggekeerd, had nog even wat gedronken in de stad, was aan de praat geraakt met iemand, hij wist het niet meer precies, een man eerst – of was het een vrouw? – nog wat gedronken, maar ten slotte was hij zeker weggegaan, want nu was hij ineens hier, hij was moe.
            Op de stoep voor zijn deur zat iets, een meisje.

            …


‘Warner? Warner…’ Hij sloeg zijn ogen op en keek in de mooiste ogen die hij kende. Nooit meer wilde hij iets anders, nooit meer dromen.
            Hij wist dat ze gelijk had, dat hij zo heette. Had hij geslapen, gedroomd? Verbaasd keek hij in het lieve gezicht. De tranen sprongen hem in de ogen. Wie was zij? Hij werd zich haar naakte lichaam gewaar, tegen hem aangedrukt, en onwillekeurig gingen zijn ogen omlaag naar haar borsten. Om beter te kunnen zien, moest hij zich oprichten. Het was het meisje van de heide. Hoe kwam zij hier? Hoe wist zij hoe hij heette?
            Ze trok zijn gezicht naar zich toe en kuste hem, eerst kort, eventjes, daarna nog eens, lang en diep, haar tong verdwijnend in zijn mond. Het was alles zo bekend…
           ‘Warner, ben je d’r nog?’ Het suizelde hem. Hij was verdwaald, lag hier spiernaakt met het mooiste meisje op zo’n ding… Hij begreep er niets van.

Ze wriemelde zich onder hem vandaan, legde hem op zijn zij, maakte het hem gemakkelijk, en verdween de kamer uit. Met een steek wist hij dat hij gedroomd moest hebben, dat hij alleen was in dit huis, vol met onbegrijpelijke dingen. Een rare, vertrouwde angst welde in hem op. Zijn hand daalde af naar zijn kruis. Het was klein en kleverig. Een paar prachtige borsten bungelden voor zijn ogen. Hij huiverde. Precies op hetzelfde moment hoorde hij hoe zij zuchtte. ‘Liefste, ga je mee?’ klonk het.
            Hij trok het meisje naar zich toe, snoof haar geur op, kuste haar de ogen. Het was geen droom. Bijna had hij haar gevraagd wie ze was en hoe het kon dat ze zijn naam kende, maar hij bedacht zich, zweeg, kuste haar opnieuw.
            Ze was, nog altijd naakt, naast hem op de vloer geknield. Hij pakte het ding dat ze hem aanreikte. En weer dronk hij van de tintelende vloeistof. Door het raam zag hij de zich wentelende sneeuwvlokken naar beneden dwarrelen. Hij liet zijn hand langs haar lichaam glijden, wilde haar aanraken tussen haar benen, maar zijn hand stuitte op een klein stukje karton. ‘Zitbank. Leer. 1989.’ stond er in een warrig handschrift op neergepend. Dit is een zitbank; ik heb haar in 1989 gekocht. Nu lig ik erop, languit, naakt. Ik ruik naar mijn dromen.   

‘Welke dag is het?’ hoorde hij zichzelf vragen. Eigenlijk had hij haar willen vragen hoe ze heette, wie ze was, waarom ze zo leek op het meisje van de heide. Maar hij schaamde zich een beetje, omdat hij zo naar zweet rook, zo kleverig was.
            Ze legde haar hand op zijn kruis.
            Buiten scheen de zon, het was een hete zomermiddag, de kamer stond vol licht dat de dingen in zijn kamer een vreemde glans gaf. Kleuren dansten voor zijn ogen. Hij zakte weg in een droom vol heerlijk geurend vlees. Haar hoofd lag tegen zijn borst, en hij voelde haar tranen, een voor een, over zijn borstkas rollen.
            Hij wilde dat ze nooit meer wegging.

 

 

Amsterdam, 30 oktober 1993

 

 

 

AvR4

Astrid van Rijn – potloodtekening #4 van 8 op prentbriefkaarten, gevonden in mijn brievenbus

 

 

de iris in het zwarte sop
wil van geen wijken weten
o god wat maakt zijn licht lawaai

de tijd is klaar voor meer jolijt

ik weef voor hem mijn nachttapijt
rol binnen maar en maak kabaal baäl
maak de ruimte vol met ledigheid